Woordenboek

C

Circulaire economie

In een circulaire economie bestaat geen afval en worden grondstoffen steeds opnieuw gebruikt. Afval is de nieuwe grondstof.

D

Dichtheid

Veel woningen of andere gebouwen op een stuk grond. Dichtheid kan worden bereikt met veel verdiepingen, smalle straten, weinig parkeerplaatsen of een combinatie daarvan. Dichtheid maakt veel voorzieningen mogelijk en is vaak populair, maar daar zitten natuurlijk wel grenzen aan.

   

Doorwaadbaarheid

Het aantal routes waarlangs je door een buurt kan lopen. Met veel routes/straatjes/doorgangen is een buurt doorwaadbaar. Te weinig doorwaadbaarheid maakt de buurt ontoegankelijk, te veel doorwaadbaarheid verspreidt voetgangersstromen te veel en laat geen privacy meer over voor bewoners.

E

Energietransitie

Overgang naar een situatie waarin de energievoorziening structureel anders van aard en vorm is dan in het huidige energiesysteem. Daarbij gaat het om een omschakeling naar duurzame winning door middel van wind, zon en waterkracht en de aanleg van nieuwe systemen voor bijvoorbeeld stadwarmte en waterstof.

   

Erfpacht

Als u een huis koopt, staat dit meestal op ‘eigen grond’. Maar soms blijft de grond met daarop de woning eigendom van de eigenaar. U krijgt als koper alleen het gebruiksrecht, het erfpachtrecht. In Amsterdam geldt dat veel woningen en andere gebouwen op grond staan die van de gemeente blijft. De eigenaar van het gebouw betaalt hiervoor een jaarlijkse bedrag aan de gemeente. Dat heet erfpachtcanon. De gebouweigenaar kan in Amsterdam de canon ook voor langere tijd of eeuwigdurend afkopen. 

F

Fasering

Het in de tijd spreiden van de uitvoering van een plan.

   

Fijnmazigheid

Afwisseling en diversiteit, die wordt bereikt met bijvoorbeeld kleine bouwblokken, smalle gebouwen, veel voordeuren of korte straten.

   

Functie

Aard of doel van een bepaalde ruimte in de stad, zoals wonen, scholen, kantoren, winkels, groen of verkeer. 

G

Gebiedsontwikkeling

De ontwikkeling van een afgebakend gebied waarbij alle functies meegenomen worden. Het is een samenwerking van overheid, marktpartijen en instellingen, met inbreng van burgers. Gebiedsontwikkeling kent duidelijke fases van planvorming via bouw tot oplevering en gebruik.

H

Hoogstedelijk

Bebouwd in hoge dichtheden en met naast wonen veel ruimte voor werken en publiektrekkende voorzieningen.

K

Kenniseconomie

Deel van de economie dat gekenmerkt wordt door vernieuwing, complexe kennis en technologie en een hoog opleidingsniveau van de werknemers.

   

Kernstad

Amsterdam vormt samen met de gemeenten Zaanstad, Amstelveen, Ouder-Amstel en Diemen de kernstad van de metropoolregio. Deze kernstad vormt een aaneengesloten stedelijk gebied.

   

Klimaatneutraal

Niet bijdragen aan klimaatverandering, CO2-neutraal.

   

Koppen van de scheggen

Het dichtst bij het centrum van de stad gelegen delen van de groene scheggen. Zijn de plekken waar stad en landschap elkaar raken en fungeren als de poorten naar het landschap. 

M

Marktpartijen

Personen en bedrijven die deelnemen aan handel.

   

Menging

Veel verschillende activiteiten, functies en mensen door elkaar heen. Menging van functies en de aanwezigheid van veel verschillende mensen met verschillende doelen is een kenmerk van stedelijke buurten.

   

Metropool

Amsterdam en de wijdere regio. De verschillende onderdelen van de metropool zijn nauw verweven en zeer sterk van elkaar afhankelijk.

   

Metropoolvorming

Proces van functionele integratie, waarbij de verschillende onderdelen van de metropoolregio steeds meer van elkaar afhankelijk worden.  

   

Milieuruimte

Milieuruimte is de milieugebruiksruimte van bedrijven. Sommige bedrijven veroorzaken overlast door geluid, stank of kennen een ontploffingsgevaar. Daarom is het niet toegestaan in de nabijheid van deze bedrijven te wonen of kwetsbare functies zoals scholen te vestigen. Rondom plekken waar deze bedrijven zich mogen vestigen is een contour getrokken, de hindercontour.

   

Monofunctioneel

Buurt of wijk met heel weinig functies, zoals een woonbuurt, of een wijk met alleen kantoren. Deze blijken vaak minder populair.

N

Naoorlogse wijken

Delen van de stad gebouwd na 1945. Deze bestaan uit uitbreidingswijken en transformatiegebieden. De uitbreidingswijken kennen een relatief lage dichtheid en veel groene ruimte tussen gebouwen. De meer recente transformatiegebieden hebben een hogere dichtheid en sluiten ook qua menging van wonen en werken meer aan bij de vooroorlogse wijken. In de meeste uitbreidingswijken zijn winkels en uitgaansvoorzieningen geconcentreerd in winkelcentra.

O

Omgevingsvisie

Een strategische visie voor de lange termijn voor de hele fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie heeft betrekking op alle terreinen van de leefomgeving en gaat in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel erfgoed.

P

Productieve bedrijvigheid

Industriële en ambachtelijke bedrijven waar fysieke goederen worden geproduceerd, gerepareerd of gerecycled.

R

Radiaal

Een radiaal is een straat die vanuit het centrum van de stad naar buiten loopt, zoals een straal (radius) van de zon. Een voorbeeld van een radiaal is de Overtoom.

S

Schaalniveau

Grootte van een gebied dat bestudeerd wordt. In de omgevingsvisie onderscheiden we vier schaalniveaus: de metropool, de stad, de stadsdelen en de buurt.

   

Scheggen

Groengebieden die als wiggen tussen de woonwijken van de stad in liggen en verbonden zijn met het omliggende landschap. Zie ook: Woonlobben.

   

Stadmaken

De wijze waarop steeds wisselende coalities van burgers, overheid en marktpartijen aan de stad bouwen. Het gaat daarbij om zowel het maken van gebouwen en openbare ruimten als om de invulling ervan met activiteiten.

   

Stadsstraten

De drukkere en vaak ook bredere straten in de stad waarlangs zich voorzieningen, zoals winkels, cafés en restaurants vestigen. De verkeersfunctie en voorzieningenfunctie van stadsstraten hangen nauw samen en versterken elkaar.

   

Stedelijke milieus

Verschillende soorten stadswijken. Ze verschillen vooral in dichtheid van bebouwing en in mate van menging van wonen met werken en voorzieningen. In de omgevingsvisie onderscheiden we vijf stedelijke milieus: luwe stadsbuurten, gemengde stadsbuurten, hoogstedelijke buurten, hoogstedelijk centrum, productieve stadsbuurten en lokaal centrum.

T

Tangent

Een tangent is een straat die onderdeel is van een ringstructuur van straten in de stad. Een voorbeeld van een tangent is de Ceintuurbaan.

   

Transformatie

Als een gebouw van functie wijzigt, bijvoorbeeld van wonen naar werken, noemen we dat transformatie. Een gebied kan ook transformeren. Een oud havengebied kan een woonwijk worden. Dat heet gebiedstransformatie.

V

Volkshuisvesting

In Nederland een politiek begrip dat betrekking heeft op het verantwoord huisvesten van de bevolking.

   

Vooroorlogse wijken

Het deel van de stad dat is gebouwd tot 1940. Bestaat vooral uit dichtbebouwde buurten met straten en gesloten bouwblokken. Publieksvoorzieningen zijn er hoofdzakelijk geconcentreerd in drukke ‘stadsstraten’. Zie ook: Stadsstraten en Naoorlogse wijken.

W

Waardecreatie

Met waardecreatie bedoelen we het toevoegen van waarde. Het kan gaan om financiële waarde, maar ook om bijvoorbeeld leefbaarheid en schoonheid.

   

Woonlobben

Woonlobben zijn wijken die zich als de vingers aan een hand vanuit het centrum uitstrekken het omliggende landschap in. Zie ook: Scheggen.