Naar een onzekere toekomst

Vanaf maart 2020 sloeg snelle groei in enkele maanden om in stagnatie en krimp. Nog meer dan tijdens de economische crisis van 2008 maakt corona duidelijk hoe kwetsbaar Amsterdam is voor internationale ontwikkelingen. Het feit dat Amsterdam en andere grote steden verhoudingsgewijs harder door de coronacrisis getroffen werden geeft aanleiding na te denken over de toekomst van de stad. Blijft de stad net als de afgelopen jaren een magneet voor mensen en bedrijven? Is de concentratie van werk en mensen in grote steden wel een goed idee? Op deze vragen is ons antwoord een ferm ‘ja’. Maar tegelijk is er alle aanleiding om kritisch te kijken naar de effecten van de verstedelijking.

Hoge dynamiek

Direct voorafgaand aan de coronacrisis versnelde de groei van Amsterdam. De trek van inwoners vanuit de stad naar de regio was dan ook geen bewijs van een afnemende aantrekkelijkheid van de stad. De stroom naar buiten werd juist veroorzaakt door de nog grotere instroom naar de stad. Dit betrof hoofdzakelijk buitenlandse migratie van relatief jonge mensen.

De ongekend grote banengroei, die Amsterdam de afgelopen jaren meemaakte, komt voor bijna de helft op het conto van de specialistische dienstverlening. In de techsector groeiden enkele bedrijven in rap tempo uit tot wereldspelers. Voor Amsterdam betekent dit dat er naast de financiële sector en media en reclame een nieuwe stevige pijler onder de stadseconomie is ontstaan. Een volgende groeisector diende zich intussen ook aan in de vorm van de Life Sciences, die met de komt van EMA en de ontwikkeling van het Science Park een flinke impuls kregen.

Al met al ontstaat het beeld van een stedelijke economie die sterk lijkt op die van andere Westerse metropolen. Een internationaal georiënteerde specialistische dienstensector en een zeer omvangrijke toeleverende service economie. Het is ook een gepolariseerde economie, waarin banen voor het middenkader schaarser worden en met name routinematige arbeid verdwijnt door automatisering. Dit wordt weerspiegeld in de veranderde bevolkingssamenstelling. Amsterdam biedt steeds minder plek aan mensen met een middeninkomen. Dat heeft naast woonvoorkeuren ook te maken met de samenstelling van de woningvoorraad, die vooral bestaat uit alleen voor lage inkomens toegankelijke sociale huur (2020: 54%) en voor middeninkomens onbetaalbare dure huur- en koopwoningen (2020: 40%).

Groei en krimp

Groei van de bevolking is geen gegeven. Als land zitten we middenin een demografische transitie, die weer onderdeel is van een beweging van wereldwijde bevolkingsgroei naar wereldwijde bevolkingskrimp. In de tweede helft van deze eeuw zal voor het eerst in de geschiedenis het aantal mensen afnemen. Groei en internationalisering stellen steden voor complexe opgaven. Niet groeien lijkt daarbij een optie die het overwegen waard is. Maar het stoppen met bouwen van woningen en ruimte om te werken zal de ontwikkeling van de stad niet stoppen. Het zal leiden
tot meer schaarste, meer woningnood, hogere prijzen, sterkere segregatie. Groei zal bovendien elders plaatsvinden. In de groene landschappen rondom de stad, met alle gevolgen van dien voor natuur, recreatie en vervoersstromen tussen de stad en daarbuiten. Een andere belangrijke overweging is dat groeien een stad ook de mogelijkheid geeft om van richting te veranderen. Om de dingen anders te doen en te investeren in kwaliteit van voorzieningen, groen, openbare ruimte en in het beheer van de stad. En zeer urgent: om het beslag dat onze stad legt op natuurlijke hulpbronnen sterk te verminderen door energieopwekking te verduurzamen en de economie circulair te maken.

Verdere groei van Amsterdam kunnen we niet langer alleen met beter benutten opvangen. Er is een schaalsprong nodig op meerder fronten: verkeer en vervoer, energie, groen en zelfs de structuur van de stad als geheel. Zo’n schaalsprong is risicovol, want investeringen in infrastructuur en stedelijke voorzieningen en groen doen we voor een lange periode. Het is lastig te voorspellen hoe het gebruik van de ruimte zich zal ontwikkelen.

Investeringen moeten daarom zoveel mogelijk toekomstbestendig zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat ze een meervoudige werking hebben en voor zover mogelijk gefaseerd aangelegd kunnen worden. Een regionale blik en samenwerking zijn daarvoor vereisten. Grootschalige investeringen in Amsterdam en de regio moeten in gezamenlijkheid gedaan worden. Verkeer en vervoer, energie en klimaat, woningbouw en economie zijn dan ook regionale opgaven.